Deel 2 : Wat is techniek?
Les 2: Wat is techniek?
Van een aantal lezers hoorde ik dat de vorige les goed te volgen was. Zoals je ziet hoeft natuurkunde niet altijd moeilijk te zijn. Met name de huiswerkvraag heeft enkelen tot enige nieuwsgierigheid en verder piekeren geleid. De vraag was:
Stel je twee identieke spelers voor qua lichaamsbouw, fysieke kracht en training. Toch weet de een over het algemeen iets harder te slaan en iets meer spin te geven dan de ander. Hoe kan dit?
Natuurlijk zou je kunnen antwoorden met ‘de een gebruikt vier kwastjes lijm, de ander plakt niet’ of ‘de een speelt met een snel frame en superrubbers, de ander niet’. Dit zijn uiteraard juiste, maar ook wat flauwe antwoorden. Nee, het juiste antwoord heeft niets te maken met materiaal, maar met de spelers zelf. De oplossing is simpel: speler A heeft een betere techniek dan speler B. Je moet dan wel even het volgende beseffen: wat is techniek in de tafeltennissport?
Binnen de sportwereld hoor je heel vaak het woord ‘techniek’ vallen: traptechniek bij voetbal, bochtentechniek bij schaatsen en technische onderdelen bij atletiek. Blijkbaar speelt techniek een onmisbare rol in de sport, en dus ook bij tafeltennis. Als er bij tafeltennis over techniek gepraat wordt, hebben we het al snel over hoe iemands slagen eruit zien. Persoonlijk weet ik niet of er een directe link bestaat tussen goede techniek en ‘een mooie forehand en backhand’. Want wat is mooi en wat niet? Dat hangt van de persoon af. Om techniek te definiëren is dit dus een ongeschikt criterium.
Wat techniek bij tafeltennis, en sport in het algemeen, precies inhoudt, kan het beste natuurkundig beschreven worden. Techniek is de manier waarop je een slag of beweging zo efficient mogelijk uitvoert. Anders gezegd, hoe krijg je maximale energie in de bal door er een bepaalde hoeveelheid energie (= inspanning) in te stoppen? Bij techniek draait het dus om de overdracht van energie van het lichaam naar de bal. In het voorbeeld van de huiswerkvraag kan de ene speler, dankzij een betere techniek, zijn energie optimaler overbrengen naar de bal dan de ander. Hierdoor kan hij meer balsnelheid en spin geven, terwijl beiden evenveel inspanning kunnen verrichten. Naar mijn mening omvat techniek de drie volgende aspecten:
1. Benutten van lichamelijke schakels
Met lichamelijke schakels bedoel ik onderdelen van je lichaam die je gebruikt bij tafeltennis. Je speelt met je armen en verplaatst je met je benen. Maar een bepaalde slag is meer dan alleen een armbeweging. Allereerst kan de armbeweging uit meerdere subbewegingen bestaan, namelijk die van bovenarm, onderarm en pols. Dit zijn voorbeelden van schakels. Verder kun je je bovenlichaam of romp en benen ‘inschakelen’ tijdens een slag. Net als je arm bestaat je been uit subschakels, te weten bovenbeen, kuit en voet. Afhankelijk van de slag die je maakt, benut je een bepaald aantal van genoemde schakels. Voor een goede techniek is het van belang dat je je schakels optimaal benut. De beweging van elke schakel draagt bij tot de uiteindelijke energie in de bal. Iemand die alleen zijn onderarm gebruikt bij een forehand-spin zal minder snelheid en spin in de bal kunnen leggen dan degene die ook zijn bovenlichaam mee laat draaien.
2. Timing
De beweging van elke schakel creëert een dosis energie. Al deze stukjes energie moeten zodanig aan de bal doorgegeven worden, dat de uiteindelijke energie in de bal als het ware de optelling is van de afzonderlijke stukjes. Het verlies aan energie tijdens een slag moet minimaal zijn. Voor een maximale energie-overdracht, en dus een goede techniek, is timing van groot belang.
Hiermee bedoel ik in eerste instantie de volgorde van de afzonderlijke schakelbewegingen. Twee illustraties: bij roeien moet je eerst jezelf wegduwen met je benen terwijl je armen nog gestrekt zijn. Vervolgens gooi je je bovenlichaam naar achteren om dan pas met je armen aan de riemen te trekken. Bij slow-motion beelden van een serverende tennisser wordt soms het achtereenvolgens activeren van de volgende schakels toegelicht: voet, kuit en bovenbeen, heup, romp, schouders, arm en pols. In beide gevallen begin je bij de schakel die zich het verst van het object (riem en tennisbal) bevindt en eindig je bij de dichtstbijzijnde schakel. Deze volgorde moet ook bij tafeltennis van toepassing zijn. Neem het geval van forehand-topspin: afzetten met je benen, indraaien lichaam en slaan met bovenarm, onderarm en pols. Want wat heeft het bijvoorbeeld voor nut om eerst je onderarm te gebruiken om vervolgens pas met je lichaam in te draaien? Voordat je de bal raakt, is je arm al zodanig gehoekt dat de energie van je onderarmbeweging nauwelijks in de bal komt. Je verliest dus energie. Misschien kun je voor jezelf nagaan hoe het met de schakelvolgorde zit bij andere slagen (backhand-topspin, contra, service enz.).
Een minder eenvoudig uit te leggen aspect van timing is het moment van activeren van een schakel binnen de juiste schakelvolgorde. Voor het gemak weer de forehand-topspin. Je weet dat je eerst je lichaam in moet draaien voordat je de armbeweging maakt. Maar hoeveel moet je indraaien voor je je arm activeert? Volgens mij valt dit niet zomaar even te beredeneren en is dit moment voor iedereen net iets verschillend. Wat je wel kunt aanvoelen bij dit aspect is dat de afzonderlijke schakelbewegingen elkaar niet als ‘losse’ stukjes moeten opvolgen. Alsof er pauzes tussen zitten, wat leidt tot een wat houterige techniek. Nee, de totale beweging moet vloeiend en stabiel zijn. Instabiliteit en rare bijbewegingen leiden tot energieverlies.
Bij timing hoort natuurlijk ook het moment van raken van de bal. Wanneer je de bal te dicht bij je lichaam raakt, kun je niet alle schakels optimaal benutten. Je hebt bijvoorbeeld niet genoeg ruimte voor de armbeweging. Raak je de bal te ver van je af, dan is de effectiviteit van je (goed geschakelde) slag verminderd. Je (optimale) inspanning komt dus maar voor een gedeelte terug in de bal. Met andere woorden, het moment van raken is dat moment waarop de maximale hoeveelheid energie aan de bal wordt overgedragen.
3. Slagbeweging en manier van de bal raken Misschien waren de twee vorige aspecten enigszins abstract. Dit laatste punt moet je letterlijk wat beter voor je kunnen zien. Zoals gezegd gaat het bij techniek om lichamelijke schakels en de timing van hun bewegingen. Minstens zo belangrijk is de manier waarop de afzonderlijke schakelbewegingen in de totale slagbeweging uitgevoerd moeten worden. Moet je onderarmbeweging meer omhoog of juist naar voren? Moet de polsbeweging meer open of gesloten? Afhankelijk van je positie achter de tafel en de slag die je wilt maken, vereist dit met name aanpassing van je armbeweging. Je wilt de bal namelijk weer op dezelfde plaats spelen terwijl je zelf op een andere positie staat. Of je wilt meer spin gaan geven. Wat het meest eenvoudig voor te stellen is bij techniek, is de manier waarop je de bal raakt. Iedereen weet dat je bij forehand-contra de bal anders moet raken dan bij forehand-spin. En bij het geven van backspin raak je de bal weer op een andere manier.
Je hebt waarschijnlijk al gemerkt dat techniek in tafeltennis veel subtieler is dan je denkt. Je moet letten op schakeltjes, timing van bewegingen en raakmoment en de slag zelf. Voor een goede techniek moet dit allemaal op elkaar afgestemd zijn. Dan nog te bedenken dat je je techniek aan moet passen voor verschillende situaties binnen zeer kort tijdsbestek. Het is de bedoeling dat je een beetje kijk krijgt op de principes van techniek. Je zou eens je eigen slagen en die van anderen onder de loep kunnen nemen. Niet dat je jezelf of de ander gelijk moet gaan corrigeren, maar gewoon ‘hoe sla ik eigenlijk en doet een ander dat anders?’ uitgaande van bovengenoemde aspecten. Volgende keer een stukje over een techniek die volgens mij weinig in Nederland toegepast wordt.
Tot de volgende les,
Peter Lee