Deel 3 : Forehand-topspin techniek met 'gestrekte arm'

Les 3 Forehand-topspin techniek met ‘gestrekte arm’

Het is alweer een tijdje terug dat er een stukje ‘natuurkunde van de tafeltennis’ in het clubblad stond. Zoals je je waarschijnlijk nog herinnert, ging de laatste les over techniek bij tafeltennis. Misschien vond je dat interessant om te lezen, misschien zei het je helemaal niets of toch een beetje? Maakt ook niet uit, want jullie zijn vast benieuwd naar deze les. Het thema van deze keer borduurt eigenlijk voort op dat van de vorige les. We gaan het namelijk hebben over een bepaalde techniek, en wel de forehand topspin met gestrekte arm.

Vrijwel elke tafeltennisser kent de forehand topspin. Het is een slag die je op Scylla vrij vroeg geleerd wordt. Belangrijk, want het kan een belangrijk wapen in je spel zijn waarmee je eens flink kunt uithalen. Bij de meesten is hij dan ook beter ontwikkeld dan de backhand variant. Voor zover ik weet, bestaan er twee technieken voor de forehand topspin: de uitvoering met gehoekte arm en met gestrekte arm.

Bij de forehand topspin met gehoekte arm begin je met een zekere hoek (‘knik’) tussen onder- en bovenarm (zie witte lijntjes Fig. 1 links). Aan het einde van je armbeweging is deze hoek kleiner doordat je je onderarm aantrekt. Bij de forehand topspin met gestrekte arm begin je met een maximale hoek (‘geen knik’) tussen onder- en bovenarm (witte lijn Fig.1 rechts). Je maakt je arm dan als het ware zo lang mogelijk. Tijdens de rest van de beweging trek je je onderarm aan, waardoor je weer eindigt met een gehoekte arm. In Nederland zie je voornamelijk topspin met gehoekte arm. Enkele topspelers die ook deze techniek hanteren zijn Samsonov en Boll, terwijl spelers als Schlager, Kreanga en de Chinezen duidelijk met gestrekte arm de forehand topspin spelen.

 fig1.jpg

Fig. 1: Forehand topspin met gehoekte arm (links) en gestrekte arm (rechts).

Genoemde spelers kunnen allen ontzettend goed tafeltennissen, maar spelen de forehand topspin toch op een andere manier. Schijnbaar zijn beide technieken even goed en kiezen spelers voor de techniek die hen lekker ligt en van jongsaf aan geleerd hebben. Je kunt je ook afvragen wat de voor- en nadelen zijn van beide technieken, waarop spelers hun keuze baseren. Hieronder volgen enkele plus- en minpunten van de forehand topspin met gestrekte arm ten opzichte van die met gehoekte arm.

Voordelen

  • Door het lang maken van je arm kun je in potentie veel harder spinnen vanwege het hefboomeffect. Om dit te begrijpen moet je denken aan bijvoorbeeld een honkbalspeler. Hij gebruikt de lengte van de knuppel om de bal zo ver mogelijk weg te slaan. Je voelt wel aan dat dit veel moeilijker gaat wanneer de knuppel een stuk korter is. Of vergelijk het met een serverende tennisser die zijn arm met racket zo lang mogelijk maakt.
  • Doordat je begint met onder- en bovenarm in een rechte lijn, kan je onderarm tijdens de slag een grotere hoek afleggen (zie Fig. 2). Je benut dus je onderarmfunctie nog meer doordat je je onderarm extra aantrekt. Hiervan kun je profiteren wanneer je meer effect aan de bal wilt geven.

fig2.jpg

Fig. 2: Onderarmbeweging bij forehand topspin met gestrekte arm (links) en gehoekte arm (rechts).

  • Vanwege de grotere afgelegde hoek met je arm is het makkelijker om de bal in een scherpere hoek weg te leggen. Dit is weer gunstig voor het spelen van een schijnbeweging, waarbij je de bal net zo makkelijk links als rechts weg kunt spelen.
  • In situaties waar de bal verder van je af wordt gespeeld, kom je met een langere arm net iets beter bij de bal. Met een gehoekte arm zou je dan een miniem pasje extra in de richting van de bal moeten verzetten.

Nadelen

  • Door het lang maken van de arm kun je je lichaam minder snel in de lengte-as roteren, wat je in principe doet bij het maken van de indraaiende beweging tijdens de topspin-slag. Dit heeft te maken met de wet van behoud van impulsmoment. Deze kreet mag je verder gerust vergeten, maar het zegt ongeveer het volgende: wanneer er zich veel massa ver van de rotatie-as van een roterend voorwerp bevindt, zal het voorwerp langzaam roteren. Om bij evenveel massa en energie sneller te roteren moet die massa dichter bij de rotatie-as gebracht worden. Een heel instructief beeld hierbij is een kunstschaatser die een pirouette maakt, waarbij hij sneller om zijn as draait door zijn armen in te trekken. Je kunt het ook heel simpel inzien door een breinaald tussen duim en wijsvinger op twee manieren te draaien (zie Fig. 3). Op welke manier draait de naald het snelst rond? Tenslotte kun je dit principe ook testen met je forehand topspin en voelen wanneer je sneller indraait met je lichaam. Let op dat je dan zowel bij de gehoekte als gestrekte arm voor je gevoel evenveel inspanning verricht. Uiteraard kun je de gestrekte arm ook combineren met een hele snelle lichaamsrotatie (wat effectief de meeste energie in de bal stopt), maar dit vraagt extra fysieke inspanning (explosiviteit) vergeleken met een even snelle lichaamsrotatie met gehoekte arm.
fig3.jpg

Fig. 3: Op welke manier draait de breinaald het snelst rond?

  • Vanwege de langere arm moet je soms meer ruimte creëren tussen lichaam en bal. Dit betekent dat een op je lichaam gespeelde bal meer en sneller voetenwerk vergt, en dus moeilijker bespeelbaar is dan met gehoekte arm. Omdat het spelletje soms erg snel gaat, moet je fysieke motor ook hier sterk zijn en kun je niet altijd met gestrekte arm spelen.

Als we de bovenstaande voor- en nadelen bij elkaar optellen, komen we tot de volgende conclusie: met gestrekte arm kun je in potentie een sterkere forehand topspin spelen (meer snelheid en rotatie) dan met gehoekte arm, maar deze techniek vereist meer van je fysieke mogelijkheden. Je zou het kunnen vergelijken met de versnelling van een fiets. Bij een hoge versnelling (= gestrekte arm) is het veel zwaarder trappen dan bij een lage versnelling (gehoekte arm), maar de snelheid die je kunt bereiken ligt veel hoger.

Peter Lee